Met Theo Francken op Afraad Missie in Kosovo

13/03/2015 Journal 0 Comments

Of de recente driedaagse ontradingsmissie van Theo Francken (N-VA) in Kosovo een succes was, zullen de asielcijfers ons de volgende maanden vertellen.

De staatssecretaris voor Asiel en Migratie breekt in ieder geval een lans voor ontwikkelingshulp voor het doodarme Balkanland, waar iedereen de benen neemt richting EU.


Fifteen years since breaking from the war, Kosovo stands among Europe’s poorest countries with millionaire politicians immersed in crime. A third of the workforce is unemployed and corruption is rife. About two out of three under the age of 25th are currently jobless, and nearly 50% of Kosovo’s 1.8 million people are considered to be poor. [Vedat Xhymshiti, for P-Magazine]

Fifteen years since breaking from the war, Kosovo stands among Europe’s poorest countries with millionaire politicians immersed in crime. A third of the workforce is unemployed and corruption is rife. About two out of three under the age of 25th are currently jobless, and nearly 50% of Kosovo’s 1.8 million people are considered to be poor. [Vedat Xhymshiti, for P-Magazine]

TEKST: PETER DUPONT / FOTO’S: VEDAT XHYMSHITI [©P-Magazine] — Verdriet kent geen grenzen, maar in Kosovo hangt het tastbaar tussen de bergen. Spijt van de achterblijvers die niet mee naar Europa kunnen vluchten, hartzeer van de asielzoekers die door Europa weer naar huis gestuurd werden.

Elke nacht denkt een gerepatrieerd Belgisch-Kosovaars meisje aan haar toe- komst die ze vorig jaar in Leuven moest achterlaten. Een uit Frankrijk teruggekeer- de asielzoeker overleeft in een spookstad door auto’s te wassen. Een meisje van amper dertien jaar studeert hier elke avond Engels in de hoop haar familie uit de smerige containerwoning te helpen. Een oorlogsveteraan toont me zijn lege ijskast en papierloze portefeuille, hartpijn dat hij niet kan vluchten naar het buitenland. Een be- kende journalist overweegt om deze zomer politiek asiel aan te vragen in Groot Brittannië. En een bedelende moeder streelt met liefde door de haren van haar vijfjarig dochtertje. Een kwetsbaar kind, kandidaat voor de prostitutie of organenhandel. Niemand mist een Roma. Mirëpritur në Kosovë, welkom in Kosovo.

Een jonge kerel nodigt me uit in zijn kamertje. België stuurde hem na twee weken terug naar zijn troosteloze thuisland. Hij is een illegaal, een cijfer, een van de tienduizenden Kosovaarse cijfers die het afgelopen halfjaar Europa werden binnengesmokkeld. Zestien jaar na de oorlog in Kosovo leken zij de voorhoede van een tweede massale exodus. Voor het Europese grensbewakingsagentschap Frontex was dat de reden om aan de alarmbel te trekken. En voor enkele Europese excellenties het signaal om in Kosovo op tafel te gaan kloppen. Zo ook Theo Francken.

STINKENDE ZWEER VAN EUROPA

Berglandje Kosovo is de stinkende zweer op het Europese continent: het armste land, een van de meest corrupte, met de tweede laagste levensverwachting en met een van de grootste werklozenlegers. De helft van de Kosovaren emigreerde intussen naar het buitenland. Eerst door de oorlog met de Serviërs, daarna uit ellende. Na de oorlog in 1999 was het optimisme nochtans heel groot: op naar de EU. Maar moslimland Kosovo raakte in de vergetelheid. In 2004 braken er grote rellen uit en verdampte het vertrouwen in het falende UNMIK, de Missie van de Verenigde Naties voor Interimbestuur in Kosovo. Na de onafhan- kelijkheid in 2007 flakkerde de hoop weer op, maar de voortdurende hoge werkloos- heid en corruptie vreten nog steeds aan de fundamenten van dit land: EU-steun be- landt in de verkeerde zakken en wordt opgesoupeerd aan prestigeprojecten.

Een op de tien Kosovaren leeft van minder dan een euro per dag. Een op de vier families overleeft dankzij de financiële steun van uitgeweken familieleden. De helft van de 25 tot 36-jarigen wil migreren, maar Kosovo is een open wonde in Europa, een getto. Zonder visum raakt niemand eruit. En visa zijn er enkel voor de machtigen en hun handlangers. Enkel voor buurlanden Servië en Albanië en voor Turkije volstaat een Kosovaarse identiteitskaart om ernaar- toe te gaan. Apartheid in het hart van Europa.

“Kosovo is fucked, man”, zegt Arben, de receptionist van mijn hotel. Op televisie ziet hij een rijzige buitenlander de kijker toespreken. Dat het Belgische volk altijd de vriend van de Kosovaren is geweest. “Maar in België is er geen plaats voor jullie”, verkondigt Theo Francken. “Wij sturen econo- mische vluchtelingen snel weer naar huis.

België is geen land van melk en honing.” Arben, een universitair, wordt filosofisch: “Wat is politiek en wat is economie? Wat als de politiek het volk economisch doodknijpt? Wat heb je aan vrienden als je bij hen niet welkom bent? In vergelijking met het shithole dat Kosovo heet, is elk EU-land een paradijs”, zegt hij.

“Hier is geen werk, rechts- zekerheid, welvaart, eten of toekomst. Wat weet die Belg trouwens van ons land?” Meer dan Arben denkt. Eind december 2011 trok Francken met collega partijgenoot Sarah Smeyers en P-magazine naar Macedonië, Servië en Kosovo. Op zoek naar de feiten achter het grote mysterie van dat moment: waarom verlieten duizenden Albanezen hun geboorteland voor België en verkochten ze hun hebben en houden voor een onzeker bestaan als illegaal aan de Noordzee? Waarom hadden ontradings- campagnes van toenmalig staatssecretaris voor  Asiel en Migratie Melchior Wathelet (CDH) en premier Yves Leterme niets uitgehaald?

“Het gaat helemaal niet goed met de Balkan”, zei Francken toen. “Ik ben geschrokken van de verregaande discrimina- tie van de Albanezen door de rest van de Balkan. Van hun armoede en achteruitstelling.” Francken vond dat België het voortouw moest nemen en “de EU aansporen om ter plaatse aan ontwikkeling te doen. De harde realiteit schildert toch een heel ander beeld dan cijfers en regels in EU-rapporten.”

De migratiespecialisten van de N-VA verweten Wathelet en Leterme hun belachelij ke ontradingsmissie. “Ik denk niet dat ze wisten wat ze hier kwamen doen”, zei Smeyers. “Ze hadden net als wij de Albanezen moeten aanspreken, hun levens omstandigheden zien en de oorzaak van hun migratie onderzoeken. Wathelet en Leterme waren tevreden met de voorgekauwde praatjes van de plaatselijke overheden.”

HYPNOTISEREND GEROFFEL

Begin maart van dit jaar landt Francken in de Kosovaarse hoofdstad Pristina. Maar in plaats van het verbijsterde parlementslid dat zich een paar jaar geleden in een kaduke volkswagen van de ene trieste plaats naar de volgende wanhopige familie begaf, is hij nu onze staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Hij wordt ontvangen met alle toeters en bel- len en is warm ingebed in zijn staf en ambassadepersoneel.

Zwaailichten en security begeleiden hem van de ene persconferentie naar de volgende meeting met lokale en Europese politici, veiligheidsspecialisten en politiemensen. Een Belgische excellentie met dezelfde prangende boodschap als het vroegere parlementslid: “Blijf thuis, vrien- den Kosovaren. Komen is teruggestuurd worden.”

Maar het is een advies dat ruim 95 Kosovaren maandelijks in de wind slaan. Ze reizen naar België, opmerkelijk meer dan vroeger. Dat komt niet alleen omdat de wortels van de exodus onveranderd zijn: discriminatie, economische malaise en de corruptie van de heersende, criminele elites. Want dat de Kosovaren sinds kort ongehinderd tot aan de Servisch-Hongaarse grens kunnen reizen, is ook een belangrijke factor. Net als de tamtam, die op sociale media en Skype razendsnel werkt. Vooral van uitgeweken Albanezen uit Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Zweden, België en Hongarije.

Luan Dinaj, a young 28 year old from Kosovo, had left country and went to Belgium in July 2013, which a year later after the rejection asylum claim, he left Belgium voluntarily. As student now he lives with a roommate of studies in a small underground room in Prishtina, Kosovo's capital city. [Foto: Vedat Xhymshiti]

Luan Dinaj, a young 28 year old from Kosovo, had left country and went to Belgium in July 2013, which a year later after the rejection asylum claim, he left Belgium voluntarily. As student now he lives with a roommate of studies in a small underground room in Prishtina, Kosovo’s capital city. [Foto: Vedat Xhymshiti]

Hun hypnotiserende geroffel – “kom naar Europa” – trekt vooral jonge families aan. En jonge durvers zoals Luan Dinaj (28), die verstopt in een vrachtwagen de grens over- stak en bij zijn oom in Evere aanklopte. Twee weken na zij asielaanvraag werd die al geweigerd en wat later stond hij weer op Kosovaarse bodem. Hij toont me zijn kamertje, waar ze met zijn vieren hokken.

“Geloof hem niet”, zegt een Kosovaarse journalist me wat later. “Vele migranten we- ten wat goed in westerse oren klinkt.” Terwijl Francken het ene na het andere me- diaoptreden afwerkt, rijden we naar de in- dustriestad Gjilan, in het zuidoosten van Kosovo. “Voor de oorlog met Servië was dit het economische hart van het land”, zegt fixer Vedat Xhymshiti, de bekendste onaf- hankelijke journalist in de westelijke Balkan.

Oorlogsjournalist ‘Vudi’ werkte onder andere in Syrië, waar hij bevriend was met de door IS onthoofde journalist James Foley, en werd zelf twee keer ontvoerd. Sinds 2010 onderzoekt hij de georganiseerde misdaad in Kosovo en zien de autoriteiten hem liever gaan dan komen. In eigen land werden er al twee aanslagen op zijn le- ven gepleegd. Hij kan enkel het land verlaten om z’n job uit te voeren als een EU-ambassade in Kosovo hem de toestemming geeft. En dat lukt niet meer. Ook de Belgische ambassade moet hem niet.

Fitim Morina (at Car Wash centre) tells his story of having traveled to Europe throughout the fields and forest of Serbian-Hungarian Borders, up to the train stations when they played cat and mice with the European border police to avoid being cought. Fitim and his four months pregnant wife Shqipridona (in picture), are returned in Kosovo voluntarily after having experienced a tough path towards uncertain future. Fitim now owns a car wash centre in Kosovo's coutheastern city of Gjilan. The baby they're expecting is a boy and they didn't decide yet about his name.

Fitim Morina (at Car Wash centre) tells his story of having traveled to Europe throughout the fields and forest of Serbian-Hungarian Borders, up to the train stations when they played cat and mice with the European border police to avoid being cought. Fitim and his four months pregnant wife Shqipridona (in picture), are returned in Kosovo voluntarily after having experienced a tough path towards uncertain future. Fitim now owns a car wash centre in Kosovo’s coutheastern city of Gjilan. The baby they’re expecting is a boy and they didn’t decide yet about his name. [Foto: Vedat Xhymshiti]

Gjilan staat symbool voor de steile bergaf van Kosovo nadat haar streven naar onaf- hankelijkheid door het Servische leger hardhandig de kop werd ingedrukt. NAVO- bombardementen floten de moordende Serviërs terug en zeven jaar geleden werd de Republiek Kosovo in het leven geroepen. In 2008 riep die haar eigen onafhankelijk- heid uit, momenteel erkend door 108 van de 193 leden van de VN. Maar hoewel de piepjonge natie nog steeds beschermd wordt door ruim 5.000 NAVO-troepen en enkele honderden EU-politieagenten, wordt het leeggezogen door haar eigen cri- minele elites. Slow killing, zoals dat heet. “Dit was niet zo lang geleden de rijkste re- gio van Kosovo. Nu is 45 tot 57% van de mensen werkloos. Vroeger waren hier meer dan 100.000 mensen uit heel Kosovo aan de slag”, zegt Xhymshiti. “Ze werkten in een tiental grote fabrieken, die na de oorlog werden ontmanteld en voor een ap- pel en een ei verkocht en geprivatiseerd. Sommige werden vervangen door winkel- complexen, façades voor witwasoperaties die ook door ministers werden georganiseerd.”

In tegenstelling tot de hoofdstad Pristina zijn de gebouwen hier niet opgesmukt om lege bouwskeletten te verbergen voor de buitenwereld. Er zijn veel onafgewerkte appartementsblokken, verlaten winkel- ruimtes en halfopgetrokken gebouwen. “Na de oorlog staken criminele bendes hun geld eerst in benzinestations, daarna in zwembaden en winkelcomplexen en nu ap- partementen. Mensen proberen wat aan elkaar te verdienen met kleine, halflege winkeltjes, taxibedrijfjes, kapperszaken en carwashes. Maar eigenlijk is hier geen geld te verdienen.”

Geld komt er uit Saoedi-Arabië en Turkije, voor de bouw van nieuwe moskeeën. Elk dorp lijkt er eentje te hebben. “En dan is men verbaasd dat er honderden Albanese Kosovaren in Syrië vechten”, zegt Xhymshiti. “Europa geeft de extremisten hier vrij spel. Heel veel mensen hangen af van de moskee en worden er geradicaliseerd. Vroeger maal- den weinigen om religie, maar sinds de Saoedi’s letterlijk betalen om een baard te laten groeien, een sluier te dragen en naar de moskee te gaan, groeit de invloed van het ex- tremisme in deze doodarme streek. Ik heb zelf twee teruggekeerde IS-strijders gevon- den. Een werkt nu met de overheid, de ande- re is te getraumatiseerd om nog iets te doen.”

SMERIGE TENTEN

De nacht valt over een vallei naast de stad, volgebouwd met halfvoltooide huizen. Voor een van hen stoppen we, drie kinderkopjes verschijnen aan het raam. Hier woont een voormalige veteraan van de Kosovo Liberation Army met zijn vrouw en vier kinderen. De man blijkt doodsbang. De hele dag belden familieleden en vrienden hem omdat ze hem op het nieuws hadden gezien: hij zou een terrorist zijn die voor Al Qaeda werkt. Elk moment verwacht hij de politie of het leger aan de deur. Wat surfen op een compu- ter bij de buren leert ons dat het om een broodjeaapverhaal gaat.

De woonkamer ademt armoede uit. Tot voor de oorlog verdiende de man des huizes goed geld als arbeider, maar nu kruipt er schimmel op de muren. Op een oude stoof staat soep te pruttelen. “We eten altijd soep en brood.” Hij toont zijn lege frigo, de deur valt op de grond. “Mijn vrouw is astmatisch, we hebben geen medicijnen. Er is geen ziekte- verzekering voor ons. Had ik wat geld, dan vertrok ik naar Duitsland.”

Theo Francken hamert op een snelle, humane terugkeer van asielzoekers die om economische redenen naar de EU migreren: mensen die hun kinderen een betere toe- komst willen geven, werk zoeken of aan het verstikkende klimaat in Kosovo willen ont- snappen. Want een Europees avontuur stort hen enkel meer in de armoede. Fitim Morina (29) en zijn vrouw Shqipridona (22) kunnen daarvan meespreken.

Fitim Morina tells his story of having traveled to Europe throughout the fields and forest of Serbian-Hungarian Borders, up to the train stations when they played cat and mice with the European border police to avoid being cought. Fitim and his four months pregnant wife Shqipridona (in picture), are returned in Kosovo voluntarily after having experienced a tough path towards uncertain future. Fitim now owns a car wash centre in Kosovo's coutheastern city of Gjilan. The baby they're expecting is a boy and they didn't decide yet about his name. [Foto: Vedat Xhymshiti]

Fitim Morina tells his story of having traveled to Europe throughout the fields and forest of Serbian-Hungarian Borders, up to the train stations when they played cat and mice with the European border police to avoid being cought. Fitim and his four months pregnant wife Shqipridona (in picture), are returned in Kosovo voluntarily after having experienced a tough path towards uncertain future. Fitim now owns a car wash centre in Kosovo’s coutheastern city of Gjilan. The baby they’re expecting is a boy and they didn’t decide yet about his name. [Foto: Vedat Xhymshiti]

Ze vertrokken op 11 december 2014 naar Europa en landden op 30 januari weer in Pristina. Hij baat nu een carwash uit, zij bevalt over drie maanden van een zoon. “Ik wilde mijn kinderen een toekomst geven”, zegt Fitim. “Zelfs al had ik geweten dat we nergens wel- kom waren, dan nog had ik het geprobeerd. Ik geloofde al de praatjes op tv niet. Hier is geen hoop meer en van vrienden in Europa wist ik dat legalisering soms mogelijk is. In Kosovo verdiende ik 200 euro per maand. Ik wilde een leven met zekerheid, veiligheid, verzekering en een werkende gezondheidszorg.”

De familie Morina reisde met vijf bussen naar de Servische grens met Hongarije. Samen met 108 anderen werden ze Hongarije binnengesmokkeld, een 400 euro dure voettocht. Ze wisten dat ze door de grenspolitie opgepakt zouden worden, wat ook gebeurde. “In Hongarije zaten we met Syriërs, Marokkanen en Kosovaren in koude tenten. Onze vingerafdrukken werden geno- men, maar vreemd genoeg vroeg niemand ons of we asiel wilden aanvragen. De politie liet ons verstaan dat we ons na 24 uur in Bicske moesten aanmelden, maar dat we evengoed naar het buitenland konden trek- ken. Waarom? Dat weten we nog altijd niet. 30 van ons vertrokken onmiddellijk: de trein naar Boedapest, dan naar München.” Daar sliepen ze twee nachten vooraleer ze de trein naar Karlsruhe namen.

“Van daaruit ging het naar Chalon-sur-Saône, een plaats waar volgens vrienden weinig Albanezen zaten. Daar hadden we meer kans op asiel dan in Antwerpen, waar mijn vriend Bekim werkt. Een Franse ngo zorgde voor ons.”

Daarna belandden Fitim en zijn vrouw in de administratieve mallemolen en volgde een verhuis van het ene appartement naar het andere. Ze leefden met tien euro per dag. Toen ze te horen kregen dat ze volgens het Verdrag van Dublin hun asielverzoek in Hongarije moesten doen, trokken ze op advies van een vriend met hun laatste centen naar het grootste Duitse asielcentrum, in Karlsruhe. Fitim: ”Angstaanjagend. Met een zwangere vrouw in een kamp vol Algerijnen, Syriërs, Armeniërs, Serviërs en Macedoniërs. Er was veel te veel volk en het was er smerig. We sliepen in een tent met 1.000 mensen. Daarom vlogen we terug naar Kosovo. Meer dan 2.000 euro armer, een trip van 51 dagen achter de rug en met een kindje in het vooruitzicht.”

Fitim gelooft niet dat ontrading helpt. “Demensen geloven de corrupte regering niet, evenmin als iemand die met hen samen- werkt. De politici zijn er verantwoordelijk voor dat hier geen hoop meer is. Wat men- sen wel doet nadenken, zijn teruggekeerde asielzoekers. Ik wil mijn verhaal aan de mensen vertellen, maar niet voor de over- heid. We hebben een nieuwe regering, maar het zijn de oude bekenden die minister zijn. Nu weet ik dat er voor illegalen niets te ho- pen valt in de EU. Zelfs met een visum wil ik niet terug.”

BEVRIEZEN

Pristina is een lelijke stad waar om de zoveel maanden de woede tegen de overheid geuit wordt in een rumoerige betoging. Enkele maanden geleden vielen er nog tientallen gewonden. Wie zich buiten het administratieve centrum waagt, raapt de armoede zo van de straat. In een containerwijkje achter een grote moskee leefden twee fami- lies die hun geluk in Europa waagden. Niemand zag hen terug. In de vervallen containers wonen tien families. Een oude vrouw klaagt over haar dertienjarige zoon. Hij verloor gisteren bijna een vinger terwijl hij een televisie uit elkaar probeerde te ha- len. “Ik heb geen geld voor een dokter. Wat gebeurt er met hem als ik sterf?” Ze arriveerde hier elf jaar geleden. “Voor zes maan- den. Nooit kreeg ik steun.”

Al snel komt de hele buurt uit de containers, de kinderen arriveren uit de naburige school. Ekram Ramadani (47) wacht op zijn dochter. Florentina spreekt vlot Engels. “Ik ben het enige meisje in de buurt”, lacht ze. “De jongens kunnen me gestolen worden.” Ze hoopt later aan de slag te kunnen in Europa en haar familie een beter leven te geven. Ekram wil onmiddellijk weg als hij het geld had. “2.000 euro. Zelfs Azië is goed. Dit is geen leven. Het dak lekt, er is enkel wat elektriciteit van de moskeeën en we hebben geen water. In de winter bevriezen we.” De oorlog bracht de familie negen jaar geleden van het noorden naar hier. “Ik heb drie kinderen, eentje ligt ziek binnen, mijn vrouw heeft een hartziekte. Ik kan geen the- rapie of geneesmiddelen betalen. Politici komen enkel rond de verkiezingen langs, om steun te vragen.”

Een 81-jarige man tapt water af van een lei- ding die naar de moskee loopt. “De imam laat dat toe. Acht van mijn familieleden werden in de oorlog gedood. Jaren van el- lende volgden, ik kreeg niets voor het leven dat mijn familie gaf voor dit land. We zitten vast in een nachtmerrie.”

Dat gevoel begraaft ook de families die na jaren in België of een ander EU-land wor- den teruggestuurd naar Kosovo. De Nederlander Godfried Didden komt al der- tien jaar naar Kosovo. Hij is directeur van de Kosova Health Foundation, die terugge- stuurde families begeleidt. Zoals de familie Berisha, die Vlaanderen leerde kennen via het programma Weg uit België van Phara de Aguirre. Vader Skelzen, moeder Deshira en de kinderen Vlera, Vlerson en Dea vertrok- ken in oktober 2007 naar België en keerden in december 2013 gedwongen terug. Dat ze getraumatiseerd waren in de oorlog, was geen reden om hen in België te laten blijven.

“Het programma bleek moeilijk voor hen omdat daarna het besef kwam dat het doek in België gevallen was”, zegt Didden. “Er was plots een dikke muur tussen hier en daar.”

“In april worden er misschien opnames van een familie uit Antwerpen gemaakt voor een programma op de Nederlandse tv”, zegt Didden. “Vier kinderen, ze hebben het eveneens vreselijk moeilijk. 40 procent van hen krijgt aantoonbare mentale problemen, weten we uit ons onderzoek voor Unicef en de EU. Kinderen van de rekening. Ze zijn Belg, maar worden wandelen gestuurd door de samenleving waarin ze opgroeiden. Voor bijna tien jaar opgesloten in een vreemd land. Dat begrijpt een kind nooit. De ouders zijn door hun reïntegratieplannetje, het geld is op. En wat kunnen ze in een land waarin de helft van de mensen werkloos is?”

Sama Shatrolli, de psychiater die voor de ngo werkt, loopt even langs. “De EU steunt onze corrupte politici die het land in het verderf storten. Buitenlandse politici ko- men naar hier met hun media in hun zog. Ze spreken niet met de mensen, maar door hun aanwezigheid bevestigen ze dieven die dit land regeren in hun land. Blijf weg uit Kosovo en de boel zal zichzelf oplossen.” Voor Didden valt de EU veel te verwijten. “Nog steeds mogen enkel de bandieten het land uit, naar Brussel bijvoorbeeld. Er is maar één oplossing: erken dit land en zet de deuren naar Europa open. Bewegen is groeien. Zet UNMIK en al het EU-personeel buiten. Investeer de miljarden die zo vrijko- men in de creatie van werkgelegenheid. Zoniet blijft ook Europa in de problemen zitten. Een gemarginaliseerd land met en- kel en alleen maar grenzen heeft geen toe- komst. Dat creëert enkel maar kosten en zorgen.”